37. Awař jar aneɣ 

Deg uziř ffɣeɣ ad uyureɣ,
aked webrid n Nnaḍur,
di řeɛwin tɛewwaneɣ,
zedjɛeɣ deg uxaṛṛes,
arriɣ qqimeɣ.

Qqimeɣ ɣar ijj n taddart
iřiɣ tnudumeɣ,
ař ami uciɣ aked uyenni
yetřaɣa ayi, sedjeɣ.

Csiɣ tiṭṭawin inu
ssa d ssa suḍeɣ
ufiɣ d taziri
deg wexxam i tezdeɣ.

Tenna ayi: ‘Manis cekk?
Necc war c ssineɣ.’
Nniɣ as: ‘Necc ssa udseɣ,
war iggwijeɣ.
Usiɣ dd awarn i wetlaɛ telɛeɣ,
usiɣ dd a dayi tewced
zeg ufus nnem ad sweɣ.

Swiɣ zi qaɛ ifassen,
fad, dayi yezdeɣ.’
Tenn ayi: ‘War zemmareɣ,
zeg yiwdan necc ggwdeɣ,
iwdan ssawařen, ad as inin teffeɣ,
ttbedda aked yewdan
n midden war djin nneɣ.’ 

Nniɣ as: ‘Isem nnem,
zzayes sfidjiteɣ,
ma war ɣarem bu taryast,
hwa dd ad am wceɣ!’
Tesfirnen am wecḍiḍiḥ n tisit,
uciɣ uř inu s wabřiwen tecsi t.
Tenna ayi: ‘Xafi afray,
mařa tzemmared ksi t!
Abrid inu d tsawent,
mařa tzemmared uyur it!
Xafi i tarezzu tudart,
war xafes arezzuɣ nnit.’ 

Nniɣ as: ‘A xam arzuɣ
aziř x wenneḍni,
a cemm yedjan d tfuct,
a cem i yedjan d tiři.
A cem i yedjan i arrimet
iɛarran d dduři,
a cem i yedjan d tudart
a cem i yedjan d tiřelli.

Wenni war cem yessinen,
di tudart war yedji,
tudart di war tedjid,
uyac a war ttiři!’

37. Woorden tussen ons

Overdag ging ik wandelen
en op weg naar Nador,
met de wind in mijn gezicht,
verzonken in gedachten,
ging ik zitten.

Voor een huis
overviel de sluimer mij
en plots werd ik mij een stem
gewaar, en ik luisterde.
Ik richtte mijn blik op,
keek om me heen
en zag de volle maan
die in een woning vertoefde.

Ze zei: ‘Waar kom je vandaan,
ik ken je niet.’
Ik zei: ‘Ik woon hier dichtbij,
niet ver hier vandaan.
Ik kom na mijn omzwervingen
jou vragen
of ik uit je hand drinken mag.
Ik heb uit vele handen gedronken,
maar de dorst verteert mij.’
Ze zei: ‘Dat kan niet,
ik vrees de mensen,
mensen praten, ze zullen zeggen
dat ik naar buiten ga, me onder vreemde mensen
begeef die de onzen niet zijn.’

Ik zei: ‘Jouw naam
daar verlang ik naar,
als je geen moed bezit,
kom, dan geef ik je wat!’
Ze glimlachte als de schittering van een spiegel,
ze tilde mijn hart op haar wimpers
en zei: ‘Ik zit gevangen,
bevrijd me! 

De weg naar mij is glooiend
bewandel hem als je kunt!
Het leven zoekt naar mij,
ik kan het zelf niet vinden.’

Ik zei: ‘Ik zal naar je zoeken,
elke dag,
jij bent de zon,
en de schaduw.
Jij bent voor het blote
lichaam verhulling.
Jij bent het leven 
en de vrijheid.
Wie jou niet kent,
leeft niet,
en het leven dat jou niet kent,
het zou beter niet bestaan!’


Uit: Ahmad Ziani, Iɣembab yarezzun x wudem-nsen deg wudem n waman, 2002
Originele vertaling (frans) & transcriptie: H. Banhakeia & A. Boumalk
Vertaling (nederlands) & transcriptie K . Mourigh