De vrouw die haar zoon had opgegeten / Tenni yeccin mmi-s 

Er was eens een koning die een groot landgoed met graanvelden bezat. Het graan stond scheef. Toen kwamen er een aantal vrouwen langs die gras aan het plukken waren. Ik dacht dat het er zeven waren, maar ik noem er drie. 


De eerste zei toen:

‘Als de eigenaar van dit landgoed met mij trouwt, zal ik met één stukje wol een hele djellaba voor hem maken.’

De andere zei:

‘Als de eigenaar van dit landgoed met mij trouwt, zal ik met één aar couscous voor hem maken.’

De laatste zei:

‘Als de eigenaar van dit landgoed met mij trouwt, zal ik voor hem een kind baren dat een gouden parel in zijn voorhoofd heeft. ‘

De koning was daar in de buurt en hield de wacht. Hij verstopte zich en luisterde naar wat de vrouwen zeiden. Daarop vroeg hij de eerste vrouw ten huwelijk. Degene die zei dat ze van één stukje wol een djellaba voor hem zou maken. Hij trouwde met haar en kocht een vacht voor haar. Een hele schapenvacht. Zij probeerde de wol te spinnen en te kaarden, maar de draden gingen alle kanten op. Ze heeft uiteindelijk niets voor hem gemaakt. Geen djellaba, niet eens een muts.

Toen trouwde hij met de andere vrouw. Hij huwde diegene die zei dat ze met één aar couscous voor hem zou maken. Hij nam een hoopje voor haar mee, een hoopje graan. Zij maalde het en zuiverde het. Een deel van het kaf werd gescheiden, een deel van het koren werd gescheiden en een deel werd meel en overblijfselen. Zij had niet eens korreltjes couscous gemaakt. 


Hij trouwde met de laatste. Degene die zei dat ze een zoon zou baren met een gouden parel in zijn voorhoofd. Hij trouwde met haar, ze werd zwanger. Hij wachtte. De dagen gingen voorbij. Ze baarde een jongen met een gouden parel in zijn voorhoofd.

De bijvrouwen werden jaloers en zeiden: ‘O jee, deze vrouw heeft een jongen gebaard die een gouden parel in zijn voorhoofd heeft. Wij hebben niet gedaan wat we hebben gezegd. Dus zij is beter dan wij!?’

Op een gegeven moment kwam er een bedelaarster langs. Zij bedelde. De vrouw die de jongen gebaard had, was flauw gevallen nadat zij hem gebaard had. Zij bedekten haar en smolten wat boter voor haar en gaven haar te eten. Zij was uitgeput en viel neer. Toen pakten zij het kind en gaven het aan de bedelaarster. Zij zeiden tegen haar: ‘Wij hebben eigenlijk niets voor je behalve een vrouw die pas bevallen is en haar zoon wil afstaan. Zij wil hem niet opvoeden. Zou jij hem willen opvoeden?’

Zij antwoordde: ‘Ja hoor, geef hem maar. ‘

Zij nam de jongen mee. Ze gaven hem aan haar en sneden zijn pink af. Zij deden de pink in de mond van de (slapende) moeder. Zij wikkelden het kind dus in een paar doeken en gaven het aan de bedelende vrouw mee. Toen nam zij het kind mee.

Zij deden de afgesneden pink in de mond van de moeder en toen zij wakker werd, schreeuwden zij: ‘O jee, zij heeft haar zoontje opgegeten, wij hebben hem naast haar in slaap gewiegd en omgerold; zij heeft haar kind opgegeten!’

De man kwam thuis, zij zeiden tegen hem: ‘Meneer, jouw vrouw, die een zoon met een gouden parel in zijn voorhoofd heeft gebaard, heeft hem opgegeten!’

De koning stuurde een boodschapper naar het dorp. Hij vertelde wat hij zou doen. Hij slachtte een rund, vilde het en kleedde de vrouw met de huid. Toen verzamelde iedereen de dieren die men bezat. Of het nu een rund, ezel of kameel was; de vrouw moest de dieren hoeden.

De dagen kwamen en gingen weer voorbij. De jongen werd groot. De bedelaarster voedde hem op totdat hij een man werd. Wat deed hij toen? Hij had een paard, een jakhals en een hazewindhond. Hij voedde ze op. Een keer ging hij met een bal spelen. Hij speelde en speelde en schopte heel hard tegen de bal ‘traaak’. Hij stootte de couscouspan van een oude vrouw om of iets dergelijks. De pan viel om. De vrouw kwam naar buiten en begon te vloeken en te tieren. De andere jongens zeiden: wij hebben het niet gedaan. Het is die en die jongen. Zij zei: ‘Als je goede daden wilt verrichten, doe het dan voor je moeder die kamelen aan het hoeden is. Die ene vrouw heeft je slechts opgevoed, zij is niet jouw echte moeder.’

De jongen ging naar huis, hij was verontwaardigd want hij noemde diegene die hem opgevoed had ‘mama’. Hij zei: ‘Mama, kun je wat griesmeelpap voor mij maken?’ ‘Maar dan moet je er wel ranzige boter in doen. Ze zei: ‘Dat is goed, mijn zoon’.

De jongen zei: ‘Je moet de boter er met je eigen handen in doen. Als het eten klaar is en je wilt het opdienen, waarschuw mij dan.’

Toen het eten klaar was zei zij: ‘Het eten is klaar, mijn zoon’. Ze ging naar hem toe en herhaalde de woorden. Hij stond op. Zij haalde de boter tevoorschijn. Hij zei: ‘Haal het er met jouw hand uit.’

Zij haalde het er met haar hand uit.

Hij zei: ‘Doe het in de pan’.

Op het moment dat haar hand in de pan zat, hield hij haar hand vast.

Hij zei: ‘Jij gaat me nu vertellen of jij mijn echte moeder bent of dat ik nog een andere moeder heb!’

Zij antwoordde: ‘Ja, mijn zoon, je hebt een andere moeder.’ Zij vertelde hoe dit alles was gebeurd: ‘Ik was aan het bedelen…..’ Toen zei een aantal vrouwen tegen mij: ‘De moeder van deze baby wil hem niet opvoeden. Ik heb je toen meegenomen en opgevoed.’ Hij vroeg: ‘Waar is ze?’

Zij zei: ‘Het dorp waar zij woont, is heel ver weg, op een hele grote afstand.’





Hij ging op weg. Hij nam de jakhals mee. Hij had besloten haar op te zoeken. Toen bond hij de jakhals aan de hond vast. Hij besteeg zijn paard en ging op weg. Hij liep en liep en liep. De mensen zagen hem en zeiden:

‘Bij God, een jakhals en een hond samen!’

Hij antwoordde dan:

‘Bij God, in welk land zal de vrouw zijn die haar kind opgegeten heeft?’

En zij antwoordden:

‘Wij hebben over haar gehoord! Maar je moet verder gaan!’

De jongen liep en liep verder. Iedereen die hij tegenkwam zei tegen hem:

‘Bij God, een jakhals en een hond samen!’

Dan zei hij weer:

‘Bij God, in welk land zal de vrouw zijn die haar kind opgegeten heeft?’

Hij liep totdat hij aankwam bij de plek waar de vrouw aan het hoeden was. Toen zei de vrouw, zijn moeder dus, die de kamelen aan het hoeden was tegen hem:

‘Bij God, een jakhals en een hond samen!’

Hij zei:

‘Bij God, in welk land zal de vrouw zijn die haar kind opgegeten heeft?’

Zij zei: ‘Ik ben het! Ik zou zogenaamd mijn kind hebben opgegeten. Bij God ik heb mijn zoon niet opgegeten, maar de mensen denken van wel.’

Toen vertelde hij haar alles en zij vertelde hem alles. De jongen vertelde wat hem overkomen was, welke oorzaken daarvoor waren enzovoort. Hij vertelde haar alles.

Toen zei hij: ‘Is het goed als ik naar jouw man ga om daar te overnachten?’

Zij zei: ‘Natuurlijk, als jij daarheen wilt gaan dan ga je.’

Hij zei:

‘Ik zal hem vragen of ik mag logeren.’ 

Aanvankelijk was zij bang. Hij zei: ‘Ga jij eerst, dan volg ik jou. Toon mij eerst het huis.’ Hij nam zijn paard, zijn jakhals en zijn hond mee. Zij liepen en kwamen aan bij het huis.

De vrouw zei tegen de koning:

‘Er is hier iemand die jou wil zien’. De koning ging naar buiten en zei: ‘Wat brengt jou hier?’

De jongen zei: ‘Ik zou hier graag blijven logeren als jij daarmee instemt.’

Hij antwoordde: ‘Welkom! Jij bent mijn gast!’

Hij liet de jongen binnen en zorgde ervoor dat zijn paard werd vastgenonden. De jakhals en de hond werden naast het paard vastgemaakt. Zij gingen naar binnen. De koning deed alles voor hem. Hij was namelijk de gast. Toen vroeg de jongen:

‘Waarom behandelen jullie de slavin op deze manier, waarom?’

Hij zei: ‘O zij, als ik je dat zou moeten vertellen….Laten we er niet over beginnen. Zij heeft mijn zoon opgegeten!’

De slavinnen maakten het avondeten klaar en riepen hem. Hij pakte het eten.

De jongen zei: ‘Ik heb een verzoek.’ De koning zei: ‘Vraag maar en ik zal het doen!’

Hij zei: ‘Mag die slavin daar samen met mij uit het bord eten.’

‘Nee, dat mag niet. Dat monster heeft mij zoon opgegeten.’

Hij vroeg het nog een keer. De koning stemde toe en liet de vrouw mee-eten. Ze kwam dichterbij terwijl ze nog steeds de huid om zich heen had. Ze haalde het bord wat dichterbij en begon te eten. Toen vertelde de koning alles aan de jongen. Hij vertelde: ‘Ik trouwde met een aantal vrouwen.’ Hij vertelde het hele verhaal.

Hij zei: ‘Zij zei dat als ik met haar zou trouwen zij een zoon zou baren die een gouden parel in zijn voorhoofd heeft. Ik trouwde met haar en zij baarde mijn zoon. Ik was zeer blij. Toen heeft zij hem opgegeten.’

De jongen zei: ‘Hoe ziet hij eruit?’



Hij zei: ‘Hij heeft een gouden parel in zijn voorhoofd en hij heeft vier vingers.’

De jongen zei: ‘Wat zou je doen als ik je jouw zoon laat zien?’

Hij antwoordde: ‘Ik zou zeer blij zijn. Ik zou zeer blij zijn.’

De zoon zei weer: ‘Hoe zag die zoon er ook alweer uit?’

Hij zei: ‘Hij heeft een gouden parel in zijn voorhoofd en hij heeft vier vingers.’

‘Dat wilde ik graag horen.’

Hij liet zijn pink en vier vingers zien. Hij deed zijn tulband af en de gouden parel lichtte op.

Toen omhelsde de koning zijn zoon. Zij begonnen te huilen. Ook de moeder huilde. Zij huilden en huilden totdat ze niet meer konden. De jongen zette warm water voor zijn moeder en verwijderde de koeienhuid. Hij verzorgde zijn moeder, zette warm water voor haar, bracht haar nieuwe kleding en ontdeed haar van de koeienhuid.

Toen zei hij: ‘Sta je me toe deze bijvrouwen aan te doen wat zij mijn moeder aan hebben gedaan?’

De koning zei: ‘Ja, je mag doen met ze wat je wilt.’

Hij pakte hen en knoopte hun haren aan de staart van zijn paard vast. Toen sloeg hij zijn paard. Er was daar een heuvel met jujubestruik. Hij bleef het paard slaan totdat alleen de haren van de vrouwen aan de staart van het paard vast bleven zitten. Hun vlees bleef allemaal in de jujubestruiken hangen.

Dat was het. Tot hier. Het verhaal is uit. 

Verteld: Anonieme vrouw uit Ayt Said, Rif.
Vertaling: Khalid Mourigh