Dumpster Diven in Spanje 

Op de markt keek een jongeman uit het dorp me zijlings aan toen ik zei dat ik zijn taal wilde onderzoeken. ‘Laat me niet lachen. Jij bent niet de eerste overheidsbeambte die langskomt.’ Zei hij onder zijn pet vandaan. Pas na drie weken, toen ik in mijn woordenlijst het werkwoord ‘taq – itiq’ in het Berber wilde vertalen, kwam het verlossende commentaar: ‘taqna gak’ zei Ahmed. ‘We vertrouwen je nu.’  

Aarab heet Ahmed van zijn achternaam, letterlijk de Arabier. Hij kreeg, zoals iedereen in het dorp, die achternaam vanwege de lokale heilige Sidi Yahya Aarab. Maar Ahmed is een Berber. Dat bleek niet uit zijn hoge jukbeenderen, zijn puntige kin, zijn kroeshaar of zijn gebruinde gezicht. Het was zijn taal die dat bepaalde. Hij zat vaak naast me, mompelde wat en trok vervolgens de twee delen van zijn kifpijp uit zijn achterzak, schroefde hem in elkaar, en schepte een toefje sebsi, kif met tabak, uit een plastic zakje. De Middellandse Zee leek dan vanaf de glooiing op een spiegel waar je overheen kon lopen.  

‘Wat doe jij eigenlijk, Ahmed,  om die kif te betalen?’ vroeg ik. 

‘Dit is mijn eigen kif. Het groeit op mijn land. Maar ik ben visser natuurlijk, zoals iedereen hier. Ik ga soms met Spanjaarden mee.’ 

‘Met Spanjaarden?’ 

‘Ja, zie je die lijn daar?’  

Hij wees naar de zee. Zelfs in de zee liepen denkbeeldige lijnen die de rijken van de armen scheidden.  

‘Daar mogen wij niet komen met onze houten bootjes. Dat is voor de Spaanse vissersschepen met netten. Zij vegen de hele zee leeg en wij mogen dan hopen dat er wat vissen ontsnappen die we aan de kust kunnen vangen.’ 

‘Dat is raar. Dit is toch van Marokko? Spanje is toch ver weg.’ 

‘Nee, wij mogen hier alleen voor de kust vissen. De overheid heeft een contract met de EU afgesloten. In ruil daarvoor moeten de Spanjaarden verplicht een aantal Marokkaanse vissers op hun schepen aan het werk zetten. Eén daarvan ben ik.’ 

Ik nam afscheid van het dorp, ontbeet met eieren en olijfolie op het dak van mijn strandhuis. Ik ging terug naar huis, terug naar de winterkou. Noord-Europa lag onder een dik pak sneeuw. De golven van de blauwe zee wuifden zachtjes naar me. Ze suisden nog na in mijn oren toen ik Schiphol bereikte.  

 

Een half jaar later vroeg ik aan Aziz waar Ahmed was. Aziz was een paar jaar ouder dan ik, had nu vijf kinderen, één meer dan de vorige keer, en hij had ook weer een tand minder. Dit land had een slechte relatie met jonge mensen. En daarom was Ahmed vertrokken. Toen hij aanmeerde in een Spaanse haven, zag hij zijn kans schoon. Hij verdween samen met een dorpsgenoot.  

De houten bootjes kwamen hem de strot uit. Hij moest bij zonsopgang naar het strand sjokken, de berg af met de buitenboordmotor op zijn schouder, vervolgens de tank vullen voor zes euro, de planken klaarleggen, dan samen met de jongens de boot het water induwen. Dan zag hij de rimpelingen van het water langs de boeg en hoopte dat God hem welwillend zou zijn, dat hij genoeg inktvis binnen zou hijsen om de benzine te betalen en nog wat over te houden voor zijn kinderen. Als hij thuiskwam vroegen zijn kinderen steevast: ‘Papa, papa, heb je vis gevangen vandaag?’ 

Dat was de dagelijkse gang van zaken. Ze voeren vaak naar de grote tweeling, twee rotspunten die door toevallige geologische verschuivingen, uit zee staken. Daar zwommen vaak vissen en de vissers konden tegelijkertijd hun huizen die tegen de bergflanken leunden in de gaten houden. Op een dag zagen twee vissers een beveiliger naar het huis van Ahmed sluipen. Hij moest het verkeer over de nieuwe Sahili, de kustroute van Nador naar Tanger, in goede banen leiden. Blijkbaar had de beveiliger een ander idee van verkeer, want drie maanden later kreeg Ahmeds vrouw zichtbaar een dikke buik. Ik vroeg Aziz hoe het zat toen wij over een weggetje liepen.

Hij zei: ‘Weet je, Ahmed is al lang weg en alles met een ziel beweegt.’ Hij tilde zijn hand op, stak zijn vinger uit waarmee hij een steen aanwees: ‘Zelfs een steen beweegt. Kijk, eerst lag die steen hier en nu ligt hij daar.’  

De Spaanse kust was ver weg van het dorp. Ahmed vond dat niet erg. Hij keek zijn ogen uit. Vooral toen hij voor de eerste keer een paar benen uit een afvalcontainer zag bungelen. Samen met zijn vriend bleef hij even staan. De benen werden langer, er verscheen een lichaam en toen de dumpster diver op zijn voeten landde, keek hij de mannen aan: ‘Salam u 3alaykum. Je hoeft hier niet te zoeken. Er zit niks in.´ Dat was zijn eerste ontmoeting met een landgenoot. 

Ahmed vond werk in een negorij vlakbij Huelva, seizoensarbeid in de agrarische sector: aardbeien plukken, asperges steken, dat soort werk. Lange periodes bleef hij werkeloos. Hij woonde bij familie, toen weer bij vrienden. Zijn paro, de werkloosheidsuitkering was tijdelijk. Als dat op was, dan mocht hij in de zee vallen. En Ahmed verviel in dezelfde gewoonte als zijn landgenoten. Na een tijdje kon ook hij de afvalcontainers niet negeren.  

Op een dag daalde hij neer met een kwart stokbrood in zijn hand. Een landgenoot stond naast hem. Ahmed zei: ´Salam, Je hoeft hier niet te zoeken. Hier zit niks meer in.´ De man dook er toch in. Ahmed keek even naar de man die volledig in de container verdween. Hij kon hier niet langer blijven. Marokkanen liepen met een grote boog om hem heen, hij kreeg dikwijls ruzie, hij leed honger en hij dacht aan zijn kinderen. Hij dacht aan wat er met zijn vrouw was gebeurd. Was dat het allemaal waard?  

Vorig jaar was ik weer in het dorp. Het was zeker vijf jaar geleden. Ik zat op een glooiing, ik dronk thee en ik keek uit over de Middellandse Zee. De golven ruisten nog steeds even zacht. Ahmed vertelde uitgebreid over Spanje. Hoe moeilijk het leven daar was als je niet werkte, dat Marokkanen elkaar vermeden, hoe hij dikwijls in een container moest duiken. Hier in het dorp, had je in ieder geval een huis en familie. ´En we hebben de zee en Allah.´ zei hij. ´Zij brengen brood op tafel.´ 

Ahmed herkende me niet. Het was immers tien jaar geleden. Aziz vertelde hem dat ik oorspronkelijk ook uit het dorp kwam, maar in Barcelona was opgegroeid. Ik speelde het spelletje mee. Ik vertelde hem dat ik me hem nog kon herinneren en dat hij lang was weggeweest. Hij draaide zijn hoofd een slag en zei zachtjes: ‘Ja, dat klopt.’

Ik liep met Aziz mee, over de berghelling, naar huis. Ik zei: ´Zie je wel. Ik zeg toch tegen je dat je niets te zoeken hebt in Spanje. Het is daar echt moeilijk als je niet naar school bent geweest en de taal niet kent.´ Aziz keek me spottend aan: ´Hij lult joh. Hij is gewoon zwakkeling. Weet je dat ze daar wel 1000 euro per maand verdienen. 1000 euro! Ik zou nu vertrekken als ik kon.´  

De avond viel. De mensen in het dorp slapen net na zonsondergang, wanneer de honden naar buiten komen. Ik lag op mijn kamer. De kif die ik de hele dag om me heen rook had me in een roes gebracht. Ik sloeg mijn deken over me heen. Alles draaide lichtjes. Was er iets veranderd in tien jaar behalve nieuwe geboortes en uitgevallen tanden? De volgende morgen nam ik de taxi over de Sahili, terug naar Nador. En de golven van de zee suisden nog lang na in mijn oren.  

Khalid Mourigh – Oktober 2020