Ik keek samen met de bergen uit over het blauw van de middellandse zee.


               ‘Waarom wonen die mensen boven op een berg?’ vroeg ik.
               ‘Zie je die bergen daar, broeder. Daarachter bestaat nog een hele wereld.’

3ááááálam ‘de wereld’ zei hij. Het klonk als een woord uit sprookje. In een Marokkaanse taxi verveel je je niet. Mensen vertellen verhalen of ze speken schaamteloos door de telefoon, behalve als er een bandje met Koran wordt gedraaid. Dan staart iedereen naar buiten. Drie uur zou de reis duren. Ik had mijn reistas tussen mijn benen. Hassan de taxichauffeur vroeg me waarom ik Berbers wilde leren.

               ‘Ik ben door de Nederlandse overheid gestuurd.’
               ‘Het wordt maar in een paar dorpjes gesproken. Ik ken mensen die het spreken. Maar wat                   moet je ermee?’
               ‘Ik wil het opschrijven voordat het uitsterft.’

Dat begreep hij wel. Sterven is niet goed. Hij gebruikte een woord uit het Standaard Arabisch in zijn spraak inqarada ‘uitsterven’.

               ‘Er bestaan hier veel dialecten. Het Arabisch verschilt van dorp tot dorp.’

Ik knikte. Ik kon hem niet altijd even goed verstaan. Het Jbala Arabisch klonk raar, ook dat vergde enig aanpassingsvermogen. Voordat we doorreden naar Bouahmad, gingen we naar een bruiloft in zijn hometown Stihat. In een zaal vol kwebbelende mannen mocht ik het laatste stukje kip opeten.

                ‘Eet maar. De baraka zit in het goed behandelen van de gast.’ Zei een man.

Ik voelde vereerd en een beetje opgelaten. Dat gevoel heb ik altijd als ik bij arme mensen eet. De Mercedes 240 diesel stopte voor de winkel van Hosein in Bouahmad.

               ‘Salam u 3alaykum. Ik heb uw adres gekregen van een kennis, ene Samir. Ik kom jullie Berber bestuderen.’
               ‘3alaykum salam. O, natuurlijk. Kom maar naar binnen.’

Hosein riep zijn zoontje om mijn tas naar boven te dragen. Drie verdiepingen het trappenhuis op naar een kamer in aanbouw.

                ‘Hier is de wasruimte. Daar kun je je opfrissen en hier kun je zitten.’

Hij wees naar het gastenverblijf. Ik gooide mijn tas neer en wachtte.
Hosein ademde hevig toen hij een uur later een groot bord op tafel zette. Nog maar drie jaar geleden had hij een winkel overgenomen in dit gehucht. Daarvoor woonde hij in een Berbertalig dorp in de bergen waar alle mannen aan de kifpijp zaten. Daar had hij die chronische piep opgelopen.

                ‘Dinsdag is de marktdag. Dan komen alle dorpelingen hierheen.

                 De qaid zal er dan ook zijn.’

Over twee dagen kon ik met mijn papiertje bij de qaid, de gouverneur, langs.

Ik wilde naar de plek waar iedereen aan de kifpijp zat.