Ik heb mezelf bijeengeraapt, 
de moederschoot vaarwel gezegd,
om mij te begeven in een woestijn,
waar de oogopslag van Doodsengelen
barsten sloeg in het gesteente.

Ontijdige monden
sloegen mij in de boeien,
blindstarende monden,
leugenachtige monden,
publiekelijk verworpen monden!

Een goddelijke stem riep mij:
‘Een dolende zult gij zijn,
een opstandige zult gij zijn,
verheven boven elk lichamelijk woord!’
Ik kuste mijn ziel vaarwel.
Anarchisme nam bezit van mij.
Het Zijn en het Niets verwierp ik,
mijn rebellie schreeuwde ik van de daken.
Het gezelschap van atheïsten zocht ik,
van ‘Urwa ibn al-Wurd tot Oscar Wilde.
Ik ontdekte de holheid der megafonen
en
mijn eigen weg,
een weg geopend door andere wegen,
doodlopend soms, of verzandend.
Opstandig trek ik verder
op zoek naar eigen horizon,
die wijkt voor andere vergezichten.


Ik ben een vraag
door verwerpelijke lippen gepreveld
– een zang van vlijerij zingen zij!
Getuigde ik van mijn liefde,
dan verhardden zich de blikken en
aan gruzels ging genegenheid!

Alles doe ik voor jou, mijn kleine meisje!1
er is er geen buiten jou,
weldadige regen die mijn hart omhult,
zoals liefde de ogen van gelieven omfloerst.

Hoe vaak al heeft mijn hart
de liefde verzaakt,
raakte het gewond
door de wond van de scheiding,
een wond, opbloeiend als een bloem,
en weer verdwenen,
zoals voetstappen spoorloos
worden in het zand.

Ach liefste, laat het maar!
Jouw stilzwijgen is een ander schrift!
Soms ontstaan vergezichten
waarbij – mits scheppend – zwijgen beter past!
 
Mijn lief, neem het mij niet kwalijk
als ik dwaal over de zee van je liefde
en mij in de diepten stort.

Zo ben ik, meisje, zo ben ik!
Ik beween een liefde
die het woord ‘opbranden’ niet kent!
 
Op de dag dat ik,
in Amsterdam, mijn ‘ik’ ontdekte,
sloeg ik mijn toekomst dicht,
verbrandde ik mijn papieren
om een ziel te vinden die,
hoewel gekerkerd in mijn borst,
een weg zoekt in de waarheid.
Hoe kan wie vrij geboren is
en ongeknecht, verslaven door begeerten?
 
Ik ben een hoer,
mijn woorden minder dan een ezelsscheet,
wanneer ik zeden preek
en zelf in zonde wandel
over een wegdek gehuichel!
 
Mijn lief,2
ik vrees te zijn
een kind, levendgeboren uit een dode moeder….
en die moeder, die ben jij.

Ik ontken het niet:
ik heb mijn moeder verloochend,
de dag dat zij mijn vader vader maakte.
 
Zij klemde mij tussen haar tanden,
in haar handen hield zij een slot.
Haar vlees is wellust
als dat van de slavin op de markt.
Zij die de oorsprong is, het sterke geslacht!
 
Men keert zich van haar af
in het gesprek en ook daarbuiten.
Zij wordt gedood,
zoals de glimlach wordt gedood
rond de lippen van mijn makkers.
Hoe kan ik anders dan
het rechte spoor bijster worden
en verlangen naar een pad
van struikelblokken en obstakels!
 
Toen ik, in Kopenhagen, alleen was
en van de vervreemding
van de vreemdeling proefde,
leerde ik enigszins mijzelf kennen.
Mijn hart zweefde en ik ontdekte:
ik ben IK,
metafysisch, transcendent,
niet zo maar hier aanwezig!
 
Ik kuste de borsten van een vrouw
en dacht aan mijn verre moeder.
Of ik wilde of niet,
mijn aderen zwollen.
Een ogenblik lang overzag ik de wereld
die nietig leek
en die ik ontsteeg
zuchtend op een vochtige dij,
zwevend over het aardoppervlak
-de ozonlaag benauwde mij.
Zij kuste mij als een moeder.
Haar glimlach bracht emoties tot explosie.
 
Ik huilde van liefde,
ik nam haar in mijn armen,
ik schreef op haar lippen
een geheim dat in het openbaar
terdood werd gebracht.3
Ik weigerde het antwoord,
ik weigerde de vraag te zijn.
Ik heb mezelf bijeengeraapt,
de eigen baarmoeder vaarwel gezegd4
om de bossen in te trekken.
Ik zal mij voeden met de melk van hinden
die dartelen in het hoge gras.
 


 

1 De dichter spreekt tot de Vrijheid.
2 De toegesprokene is opnieuw de Vrijheid.
3 Hier wordt gedoeld op de onderdrukking van de mensenrechten.
4 De dichter wordt herboren.

Uit: Honger, naaktheid en vlucht voor de honden – rebelse verzen
Vertaald door Roel Otten. 1993.