Misschien wel het meest bekende stereotype over straattaal is het gebruik van de lidwoorden. Vraag je een Nederlander een straattaal of “slecht” Nederlands te imiteren, dan krijg je steevast het gebruik van het lidwoord de of die, zoals in “die meisje”. Stond de inmiddels vergeten Ali Osram immers niet bekend om zijn veelvuldig gebruik van die in plaats van dat? In het volgende fragment gebruikt hij “die meisje”.

Ook aan taalkundigen is het gebruik van het lidwoord niet onopgemerkt voorbij gegaan. Het is waarschijnlijk één van de meest onderzochte aspecten van straattaal. Zo deed de taalkundige Leonie Cornips al een tijd geleden onderzoek naar de verwerving van het lidwoord bij kinderen. Zij vergeleek in eerste instantie ééntalige Nederlandse kinderen met tweetalige kinderen. Beide groepen hadden het “juiste” gebruik van het lidwoord pas laat onder de knie, rond hun achtste levenjaar. Het bleek echter dat tweetaligen achterliepen, dus vaker “de” gebruikten voor een “het” woord.

Het leren van het juiste gebruik van de lidwoorden is één van de moeilijkste aspecten van het Nederlands. Dat kunnen mensen die op latere leeftijd Nederlands hebben geleerd beamen. Ze kunnen nog zo vloeiend en accentloos Nederlands spreken, toch zullen ze vaak twijfelen of ze “de” of “het” moeten gebruiken.

Maar ook Marokkaans Nederlandse (en andere meertalige) jongeren die in Nederland zijn geboren, gebruiken vaak “de” voor een “het”-woord. Ook in mijn eigen onderzoek is er een oververtegenwoordiging van “de”-woorden. Een aantal voorbeelden.

“Jaar”, “centrum” en “land” zijn stuk voor stuk onzijdige woorden en zouden dus in het Standaardnederlands “het” moeten krijgen. De enige manier om dat te weten is door het te leren bijvoorbeeld door het vaak genoeg te horen als kind. Maar er iets vreemds aan de hand met de laatste zin. Daar krijgt het verkleinwoord “mannetje” ook “die” in plaats van “dat”. Hoewel je de lidwoorden dus altijd moet leren, geldt er echter één uitzondering in het Nederlands: verkleinwoorden, die krijgen namelijk altijd “het”.

Het lijkt me sterk dat de Marokkaans Nederlandse jongeren zelfs die regel niet kennen. Ze zijn allemaal naar school geweest en hebben vaak genoeg verkleinwoorden gehoord. Als je het ze vraagt weten ze ongetwijfeld dat het “dat mannetje” is. Dat werpt de vraag op waarom jongeren dat doen.

Daarmee zijn we aangekomen bij het tweede deel Leonie Cornips’ onderzoek, namelijk dat het gebruik deels een identiteitskwestie is. Jongeren gebruik dus opzettelijk het andere lidwoord om “straat” te klinken. Zo praat je nu éénmaal onderling. Onzijdige woorden zijn veel te netjes.

Een deel van de jongeren heeft dus moeite om de juiste lidwoorden toe te passen en dat is, hoe je het ook wendt of keert, een belangrijk aspect van het Nederlands. Een werkgever zal een sollicitant er waarschijnlijk op beoordelen. Het onderwijs dient daar dus, het liefst op de basisschool al, zijn pijlen op te richten. Het is echter niet het hele verhaal. Veel jongeren spelen ook met de lidwoorden en kunnen in verschillende contexten schakelen. Ze weten het wel, maar gebruiken opzettelijk het andere lidwoord. Soms gaat het zelfs de andere kant op en gebruiken ze “het” in plaats van “de”. Dan krijg je zinnen zoals “het hond heeft het kaas opgegeten.” En dat, waarde matties, klinkt zelfs op school te netjes.

www.khalidmourigh.nl

www.blogspot.khalidmourigh.nl

Bron

Cornips, L. “Loosing grammatical gender in Dutch. The result of bilingual acquisition and/or an act of identity”. International Journal of Bilingualism. 2008, 12(1 & 2). 105-124.

Mourigh, K. Gouda Corpus (2014 – 2017).