De kosmos is groot
maar heeft geen plaats voor mij…
 
Terwijl anderen worstelen om
de ruimte te veroveren,
worstel ik met de honger.
Rennen moet ik, hollen, zwoegen,
zij nemen hun gemak ervan.
Als ik mijn pijn uitschreeuw,
werpen ze mij in hun spelonken.
Ik heb geen geluk in het leven,
Ik heb geen geluk in de mensen.
De risee ben ik geworden,
Zij schrijven izran1 over mij.
Ziende dat ik nog levend rondloop,
reciteren ze de Koran over mij.2
Zij grijpen naar de zaag
om de wortelsdoor te zagen.
Zij bespotten mij
om wat zij zelf
hebben laten verkommeren.4
 
De kosmos is groot
maar heeft geen plaats voor mij…
 
Ik heb bunarjuf5 gegeten
dat tot diep in mijn botten drong.
Ik heb gezworen in het bijzijn van
mijn broers en zusters,
een eed afgelegd bij zon en sterren,
geldig tot mij op ‘t kerhof
een plek wordt gegund:
‘Ik stel mijn handen6 de zonen van bedelaars ten dienst.
En mocht ik ophouden gehoor te geven:
dat zij mij ermee om de oren slaan,
dat zij mijn lijk verbranden
en de rook verdrijven,
dat zij de as meenemen
en in de rivier werpen;
dat zij over mij gruwelverhalen vertellen
aan de kinderen voor het slapengaan!’
 
De kosmos is groot,
maar heeft geen plaats voor mij…
 
Niet langer wil ik
dat ze met me sollen,
dat ze ons uitlachen
en ons kleineren.
Is het een meisje:
ze betasten haar dijen.
Is het een jongen:
zij gooien hem bij het vuil.
Ze slaan op hem in met beukende vuisten
totdat zijn borstkas open ligt.
Zij drijven ons voort
als zijn wij kamelen.
Op de stortplaatsen werpen ze ons
als zijn wij rotte appels.
In hun huis heerst rust,
in het onze gekrakeel.
Wij zwoegen,
zij plukken de vruchten.
Ze timmeren op onze hoofen
alsof ze slangen slaan.
 
De kosmos is groot
maar heeft geen plaats voor mij…
 
Ik zoek wat gemakkelijk is,
ik beland in wat moeilijk is.
Voor mij is alles bochtig en krom,
ook al is het voor een ander kaarsrecht.
Ik ben als een mier:
ik tors paarden op mijn rug.
O mijn broeders, zeg mij
of die lieden mensen zijn.
Als ze het zijn,
waarom denken ze dan nooit na?
En als ze een hart bezitten:
wat voor hart is dat dan?
Als wij het uitschreeuwen van pijn
zeggen zij: ‘Dit gaat te ver!’
Zij laten niet toe dat wij iets bereiken,
halverwege versperren ze ons de weg.
Zij snijden ons als gepekeld vlees.
Met ons vlees verlenen zij aroma aan de koeskoeskorrels.
Hoelang nog wurgen mij de zorgen
waar ik een touw uit vlechten kan?
 
De kosmos is groot,
maar heeft geen plaats voor mij…
 
1 Puntdichten, een genre van de Berbertalige oral literatuur
2 Alsof ik al dood ben
3 De roots van de Imazighen (Berbers)
4 Dit slaat op het Tamazight (Berbers). Chacha: ‘ Zij zeggen: “Je kunt het niet schrijven, het is geen taal.” Maar zij zelf zij het die ons het recht om te schrijven onthouden.’
5 Liefdeskruid. De dichter spreekt hier over de liefde voor zijn vaderland.
6 Dwz gevechtskracht.
 

 

Uit: Honger, naaktheid en vlucht voor de honden – rebelse verzen
Vertaald door Roel Otten. 1993.